fbpx

Deel 1 Tijdige Groeten Nrs. 46, 47, 48

(Ter Correctie)

GEBEDSVOORLEZING

Ik zal lezen uit “The Mount of Blessing, ” beginnend op bladzijde 211 (Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz..)– {1TG46: 2.1}

“De mensen waren  diep bewogen geweest door de woorden van Christus…Zijn woorden hadden juist de wortel van hun vroegere ideeen en meningen geraakt; om Zijn leringen te gehoorzamen zou een verandering vereisen van al hun gewoonten van denken en handelen. Het zou hen in oppositie brengen met hun godsdienstige leraars..” {1TG46: 2.2}

Aangezien de leerstellingen van Christus een verandering in denken en handelen vereisen, zouden wij niet verbaasd moeten zijn als dat is wat Zijn boodschap van vandaag van ons zou vereisen.Laat ons de lezing van vandaag afsluiten door te keren naar bladzijde 216. {1TG46: 2.3}

“…Hij die, gelijk de Joden in Christus’ dagen, bouwt op het fundament van menselijke ideeen en meningen, of vormen en ceremonieen van  menselijke uitvindingen, of op welke werken dan ook die hij kan doen onafhankelijk van de genade van Christus, is zijn bouwwerk van karakter aan het oprichten op drijfzand. De hevige stormen der verzoeking zal het zanderige fundament wegvagen, en zijn huis als een wrak achterlaten op de oevers der tijden.” {1TG46: 2.4}

Laat ons bidden dat God ons helpt om zeker te stellen dat het fundament van ons geloof is gebouwd op Gods Woord, de vaste Rots; dat wij kunnen weten dat alles wat daarin tekort schiet, vroeg of laat zal vallen; dat wij de Heer Zijn gang laten gaan in ons; dat wij Hem toelaten om onze gewoonten en praktijken te veranderen van wat zij zijn tot wat zij behoren te zijn. {1TG46: 2.5}

2

———0———

1 TIJDIGE GROETEN 46

“DE DIENSTKNECHTEN VAN GOD IN DE VERZAMELINGSTIJD”

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF,

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 21 JUNI, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

Wij zullen het negen-en-veertigste hoofdstuk van Jesaja bestuderen. Dit hoofdstuk wijst de dienstknechten Gods aan in de verzamelingstijd, hun raciale lijn, en hun behoefte aan gebiedsuitbreiding. Wij zullen de studie aanvangen met de eerste drie verzen. {1TG46: 3.1}

Jes.49:1-3–“Hoort naar Mij, O eilanden! en luistert toe, gij volken van verre; De Here heeft mij geroepen van de buik af, van het ingewand van mijn moeder af heeft hij mijn naam gemeld. En Hij heeft mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij mij verborgen, en heeft mij tot een zuivere pijl gemaakt; in Zijn pijlkoker heeft Hij mij verborgen. En Hij heeft tot mij gezegd: Gij zijt Mijn knecht,  O Israël, door wie Ik verheerlijkt zal worden.”

De Geest van God in de persoon van Israël, verklaart door de profeet Jesaja dat Israël  voor geen andere reden was geboren dan om Gods dienstknecht te zijn, en dringt erop aan dat dit feit nu bekend gemaakt moet worden over de gehele wereld, zelfs aan de eilanden der zee. {1TG46: 3.2}

Aangezien Jakob zelf reeds lang dood was voordat de profeet Jesaja schreef, dan staat de waarheid duidelijk vast dat de Geest van God in dit schriftgedeelte niet persoonlijk tot Jakob zelf spreekt, maar tot zijn afstammelingen, tot degenenaan wie

3

deze Waarheid bekend is gemaakt,  en die nu de verantwoordelijkheid dragen om Het wijd en zijd uit te zenden; het is dan duidelijk, dat de mensen in welke de Heer verheerlijkt zal worden, en die Jakob weer tot Hem brengen (verzen 3,5), ook zelf internationaal bekend gemaakt zullen worden. Zij zijn degenen die het evangeliewerk afsluiten–de allerlaatsten. Aan hen geeft de Heer een mond dat zo scherp is als een zwaard. {1TG46: 3.3}

Dezen zullen Zijn dienstknechten zijn gedurende de vergadering van de mensen, de dag waarop de Heer wordt verheerlijkt. Dat zij verborgen zijn, als het ware, in Zijn pijlkoker, betekent dat het in de schijnwerpers komen van hen een volledige verrassing is voor allen; voor het eerst zal de wereld leren dat deze dienstknechten van God de staart {het (uit)einde} zijn van Jacob’s afstammelingen, zijn verborgen dienstknechten, zij die zijn volk zal bijeen vergaderen zelfs van de eilanden der zee. {1TG46: 4.1}

Nogmaals, er staat geschreven–“In het laatste plechtig werk zullen weinig mannen van naam betrokken zijn. Zij zijn te zelf-ingenomen, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken. De Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de schuddende, beproevende tijd aan het licht zullen komen. Er zijn nu kostbaren verborgen, die de knie niet tot Baäl gebogen hebben. Zij hebben het licht niet gehad dat in een geconcentreerde gloed op u heeft geschenen. Maar het kan zijn, dat er onder een ruwe en niet aantrekkelijk uiterlijk, de zuivere helderheid van een oprecht Christelijk karakter geopenbaard zal worden.” –“Testimonies, Vol.5, blz.80,81{Getuigenissen, Deel 5, blz.80,81}. {1TG46: 4.2}

Jes.49:4–“Toen zeide ik: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb mijn kracht onnut en ijdel besteed; doch gewis, mijn recht is bij de Here, en mijn werk bij mijn God.”

Aan het begin van hun arbeid moeten de resuktaten van hun arbeid dusdanig zijn als dat zij haast een volledige ontmoediging veroorzaken.

4

Desondanks weten zij dat zij aangesteld zijn door God, en dus laten zij hun recht, hun werk en hun succes aan Hem over. {1TG46: 4.3}

Jes.49:5–“En nu zegt de Here, Die mij van de buik af tot Zijn knecht geformeerd heeft, om Jakob tot Hem terug te brengen: Alhoewel Israël niet zal worden bijeen vergaderd, nochtans zal ik heerlijk zijn in de ogen des Heren, en mijn God zal mijn sterkte zijn.”

Ter bemoediging van hen worden zij verteld dat zelfs ondanks Israël niet bijeen gebracht zal worden (hij zal echter wel bijeen gebracht worden), toch zullen zij heerlijk zijn in de ogen des Heren, en de Here God zal hun sterkte zijn. Aangezien zij nu ( niet in een ander tijd, maar op de dag waarin deze profetie is vervuld) geroepen zijn om Jakob tot de Heer terug te brengen, toont het aan dat Jakob (het volk van God in hun Jakobieten-staat)  de Heer verlaten moet hebben. Nu moeten zij teruggebracht worden tot Hem door een machtige herleving en hervorming. {1TG46: 5.1}

Jes.49:6–“En Hij zeide: Het is te gering, dat gij Mijn dienstknecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob; Ik zal U ook geven tot een licht der heidenen, opdat gij Mijn heil kunt zijn tot aan het einde der aarde.”

Dit schriftgedeelte had als type een tijd waarin de apostelen uiteindelijk werden geboden om het evangelie tot de heidenen te prediken alsook tot de Joden. Om nu de stammen van Jakob op te richten, betekent eerst om de eerste vruchten op te richten, 144.000–12.000 uit elke stam van Israël (Openb.7:3). Bovendien, betekent een licht en heil zijn tot de einden der aarde dat deze dienstknechten Gods van de laatste dagen het ebvangeliewerk zullen afsluiten, het evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld zullen prediken tot een getuigenis voor alle natien, en aldus het einde tot stand brengen. (Matt.24:14). {1TG46: 5.2}

5

Het is daarom ons voorrecht, niet alleen om het licht van God tot het Kerkgenootschap te brengen, waar de “eerste vruchten” (de 144.000-Openb.14:4) van de grote geestelijke oogst zich bevinden,  maar ook om hetzelfde licht tot de tweede vruchten te brengen, tot de grote menigte die wordt vergaderd uit alle natiën, een schare die niemand kan tellen (Openb.7:9). {1TG46: 6.1}

Zij die aldus zijn bevoorrecht, zijn, zoals God Zelf getuigt, de afstammelingen van Jakob, “de verloren stammen van Israël” die nu aan het licht komen. {1TG46: 6.2}

Jes.49:7–“Alzo zegt de Here, de Verlosser van Israël, en Zijn Heilige, tot hem wie de mensen verachten, tot hem wie de natie tot een gruwel zijn, tot een dienstknecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen aanbidden; om de Here, Die getrouw is, en de Heilige Israëls, en Hij zal u verkiezen.”

De Heer wordt hier gezien als sprekende tot een volk die de mensen verachten, tot hen die de natie tot een gruwel zijn, tot de dienstknechten van heersers–tot leken, niet tot door het Kerkgenootschap erkende bedienaars. Deze dienstknecht des Heren wordt, zoals het Schrift duidelijk maakt, even veracht en verafschuwd als de Heer Zelf dat was. De haat, die dan op ons wordt  beladen door onze Laodiceese broeders, moet geen mismoediging zijn voor ons, maar eerder een grote bemoediging. En waarom? –Omdat de Geest van de Heer Zelf getuigt dat wij de dienstknechten van God zijn voor deze tijd, dat Hij ons werk zodanig zal zegenen dat zelfs koningen onze opkomst zullen zien en ook de vorsten zullen komen en aanbidden. {1TG46: 6.3}

Jes.49:8–“Alzo zegt de Here; In een tijd des welbehagens heb Ik U verhoord,  en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal u bewaren, en geven tot een

6

verbond des volks, om de aarde te bevestigen, om de verwoeste erfenissen te doen beërven.”

God heeft ons verhoord in de genadetijd, een tijd waarin we verzegeld en bewaard kunnen worden tot een verbond van het volk, om de aarde te bevestigen, om de verwoeste erfenissen te beërven–om alle dingen te herstellen. {1TG46: 7.1}

Jes.49:9–“Opdat gij tot de gebondenen kunt zeggen: Gaat uit; tot hen die in duisternis zijn: Komt te voorschijn. Zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide zijn.”

Het doet er niet toe waar Gods volk mag zijn, noch onder welke omstandigheden zij geplaatst mogen zijn, zij zullen desondanks allen Zijn dienstknechten het laatste Jubeljaar horen verkondigen, en allen zullen vrijgelaten worden, allen zullen aan deze grote, altijd-toenemende geestelijke feest deelnemen. {1TG46: 7.2}

Jes.49:10,11–“Zij zullen niet hongeren, noch dorsten; ook zal de hitte en de zon hen niet steken; want Hij Die Zich over hen ontfermt zal hen leiden, zelfs aan de springaders der wateren zal Hij hen leiden.  En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn hoge wegen zullen verheven zijn.” {K.J.V.}

De Heer verzekert hier dat er nu in de verzamelingstijd geen verhindering van welk soort dan ook zal zijn, dat Hij meester is over de situatie. {1TG46: 7.3}

Jes.49:12–“Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, dezen van het noorden en van het westen; en dezen uit het land van Sinim.”

Gods hoge weg zal vol en verheven zijn, en een menigte, vergaderd uit de de vier hoeken van de aarde, zal daarop veilig wandelen. {1TG46: 7.4}

7

Jes.49:13–“Zingt, O hemelen; en weest verheugd, O aarde; en breek uit in gezang, O bergen; want de Here heeft Zijn volk vertroost, en zal Zich over Zijn gekwelden ontfermen.” {K.J.V.}

Niet dat de Heer Zijn volk zal vertroosten, maar dat Hij hen reeds heeft vertroost, Hij heeft hen met Waarheid vervuld. {1TG46: 8.1}

Jes.49:14–“Doch Sion zeide: De Here heeft mij verlaten, en mijn Here heeft mij vergeten.”

Voordat zij verzegeld zijn, denken degenen die de inwoners van Sion zullen zijn (de 144.000), dat God hen heeft verlaten. Gods antwoord tot hen echter, is dit: {1TG46: 8.2}

Jes.49:15–“Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar buik? ja, zij kunnen vergeten, toch zal Ik u niet vergeten.” {K.J.V.}

Hoewel sommigen zelfs, in plaats van te bidden voor de heroprichting van Sion, in feite ertegen bidden, niettemin zullen ook zij spoedig erachter komen dat God er geheel voor is. {1TG46: 8.3}

Jes.49:16–“Zie, Ik heb u in Mijn handpalmen gegraveerd; uw muren zijn voortdurend voor Mij.”{K.J.V.}

Volgens alle natuurlijke verschijnselen schijnt het toe dat God Sion, de plaats van Zijn aardse troon, is vergeten; dat Hij het aan Zijn vijanden heeft overgelaten om Zijn volk te misbruiken en Zijn verheven heuvel te misvormen, maar de Heer verzekert Zelf dat terwille van Sion en voor de vrijheid van haar volk, Hij aan het kruis werd genageld. {1TG46: 8.4}

Jes.49:17–“Uw kinderen zullen zich haasten; uw vernietigers

8

 en zij die u tot een woestenij maakten, zullen van u uitgaan.” {K.J.V.}

Sion’s kinderen zullen ernaar verlangen om tot haar te gaan, maar haar vijanden, de zondaars, zullen uit haar weggedreven worden. {1TG46: 9.1}

Jes.49:18,19–“Hef uw ogen op rondom, en zie, deze allen vergaderen zich, en komen tot u. Zowaar Ik leef, zegt de Here, voorzeker, zult gij u met hen allen als een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid dat doet. Want uw woeste en verlaten plaatsen, en het land van uw vernietiging, zal zelfs nu te nauw zijn vanwege de inwoners, en zij die u verslonden zullen ver weg zijn.” {K.J.V.}

Het woord “zie” richt de aandacht op een groot aantal kostbare zielen die zich reeds voorbereiden om te komen. In hen zullen Gods dienstknechten roemen. Bovendien zal het land, ondanks het groot aantal onboetvaardige zondaars dat weggenomen zal worden, zelfs dan te nauw zijn vanwege de grote binnenkomende menigte. {1TG46: 9.2}

Jes.49:20–“De kinderen die gij zult hebben, nadat gij de anderen verloren hebt, zullen nog in uw oren zeggen: De plaats is mij te nauw; geef mij een plaats, dat ik wonen moge.” {K.J.V.}

Uit de vers begrijpen wij dat de kinderen die Sion zal verliezen, degenen zijn die weigeren zich te bekeren. Haar verlies echter, zal vervangen worden door een groot aantal uit alle natiën en aldus zal het land te klein{nauw} worden. De verzen die volgen, herbevestigen dit standpunt: {1TG46: 9.3}

Jes.49:21-23–“Dan zult gij in uw hart zeggen:

9

Wie heeft mij dezen verwekt, aangezien ik mijn kinderen verloren heb, en verlaten , een gevangene, en heen en weer verplaatst ben? en wie heeft dezen grootgebracht? Zie, ik was alleen overgelaten; dezen, waar waren zij gebleven? Alzo zegt de Here God: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de Heidenen, en Mijn standaard tot de volken; en zij zullen uw zonen in hun armen brengen, en uw dochters zullen op hun schouders gedragen worden. En koningen zullen uw voedstervaders zijn, en hun koninginnen uw voedstermoeders; zij zullen zich voor u neerbuigen met hun aangezicht ter aarde, en het stof van uw voeten likken; en gij zult weten, dat Ik de Here ben; want zij zullen niet beschaamd worden, die op Mij wachten.” {K.J.V.}

Hoewel wij nu of gehaat of onbekend kunnen zijn, de dag komt wanneer wij vertroost zullen worden. De voorname mensen van de aarde zullen dan, als het ware, “het stof” van onze voeten “likken.” {1TG46: 10.1}

Jes.49:24,25–“Zal de prooi van de machtige ontnomen worden, of de rechtmatige gevangene verlost worden? Doch alzo zegt de Here: Zelfs de gevangenen van de machtige zullen weggenomen worden, en de prooi van de verschrikkelijke zal verlost worden; want Ik zal twisten met hem die met u twistte, en uw kinderen  zal Ik redden.” {K.J.V.}

Geen macht in de wereld zal nog langer in staat zijn om Gods volk in het stof neergedrukt te houden. {1TG46: 10.2}

Jes.49:26–“En Ik zal hen die u verdrukken spijzen met hun eigen vlees; en zij zullen van hun eigen bloed dronken worden, als van zoete wijn; en alle vlees zal weten, dat Ik, de Here, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.” {K.J.V.}

Onze vijanden zullen elkander doden met even grote ijver als wanneer zij zich gevuld zouden hebben met zoete wijn. {1TG46: 10.3}

10

Dan zullen degenen die achterblijven erkennen dat de Here, de Machtige Jakobs, onze Redder en Verlosser is. Zullen wij daarom nog steeds doorslapen? Of zullen wij opstaan in de gerechtigheid van Christus en ons gereed maken om de Heer te ontmoeten en met Hem te zijn in Zijn Koninkrijk? Uw kans en de tijd van uw besluit is nu gekomen en kan niet langer uitgesteld worden. U moet een vastberaden en actief standpunt innemen met deze lekenbeweging, in dit werk, welk eerst voor de kerk is, daarna voor de wereld. {1TG46: 11.1}

——–0——–

Bij het bestellen van extra exemplaren van deze “Herfst Bladen”, wilt u gaarne het deel en het nummer van de studie vermelden in plaats van de datum of de titel. Dit zal ons helpen om uw bestelling zonder vertraging te voldoen.

I S Kortram & L E van Niel

Slufterplantsoen 89

1316KS Almere

036 5336036 / 0610588951

address for all English communications,

Universal Publishing Association

P.O. Box 119

Mountaindale, N.Y.

12763,

Phone: N.Y. (914) 434-5282

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrustVol.1 Nr.47

                                                                                                             

Plaatje

Jakobs Benauwde Tijd ; Judah En Israel Gaan Naar Huis

GEBEDSVOORLEZING

Gods Barmhartige Smeekbede

Ik zal lezen uit: “Gedachten van de berg der Zaligsprekingen,” bladzijde 133, beginnend met de eerste alinea: {1TG47: 12.1}

“ Maar nu nog pleit genade met de zondaar. ‘Zowaar Ik leef, luidt het woord des Heren Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven?” De stem die heden spreekt tot de zondaar die nog geen berouw toont is de stem van Hem Die met pijn in het hart uitriep, toen Hij Zijn geliefde stad zag liggen: Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels, en gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.” In Jeruzalem zag Jezus een symbool van de wereld die Zijn genade had verworpen en veracht. Hij weende, o koppig hart, voor u! Zelfs toen de tranen van Jezus op de berg gestort werden, had Jeruzalem zich nog kunnen bekeren, en aan haar noodlot kunnen ontkomen. Voor een korte tijd wachtte de Gave des hemels nog om door haar aangenomen te worden. Zo, o hart, spreekt ook tot u Christus nog op liefdevolle toon: “ Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” “Nu is het de tijd des welbehagens, zie nu is het de dag des heils.” {1TG47: 12.2}

We moeten bidden dat we blijmoedig gehoor geven aan Gods barmhartige smeekbede; dat we beseffen dat Zijn doel is om ons te redden van eeuwige vernietiging; dat we nu moeten gehoor geven in de dag van verlossing; dat we weten dat Hij vandaag voor ons pleit net zoals Hij pleitte voor Jeruzalem rond de tijd van Zijn eerste komst; dat de deuren van onze harten nooit gesloten voor Hem mogen zijn. {1TG47: 12.3}

12

JAKOBS BENAUWDE TIJD; JUDA EN ISRAEL GAAN NAAR HUIS

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 28 JUNI 1947

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

We zullen nu het zelfde onderwerp vervolgen welke we uit het boek Jesaja bestudeerden, maar vandaag zullen we het vanuit het boek Jeremia bestuderen. {1TG47: 13.1}

Om te beginnen, zullen we merken dat de eerste hoofdstukken van het boek handelen over het oude Juda en Israel, met hun zonden en koppigheid van hart, en met als gevolg hun verstrooiing onder de heidense naties. Het dertigste hoofdstuk, echter handelt niet over het verstrooien van het oude Juda en Israel, maar over het verzamelen van Juda en Israel in onze dagen. {1TG47: 13.2}

We zullen nu beginnen met onze studie met de eerste drie verzen: {1TG47: 13.3}

Jer. 30 : 1-3 – Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende: Zo spreekt de Heere, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek. Want zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de Heere; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.”

Merk op dat beiden, Juda en Israel tezamen de belofte hebben om terug te keren naar hun vaderland. Aangezien dit nog

13

 nooit tot stand is gekomen, moet de profetie nog steeds in vervulling gaan. {1TG47: 13.4}

Jer. 30 : 4-6 – En dit zijn de woorden, die de Heere gesproken heeft van Israel en van Juda. Want zo zegt de Heere: Wij horen een stem der verschrikking: er is vrees en geen vrede. Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?”

De oorzaak van de hier voorspelde vrees is eigenlijk nodeloos en onnodig, verkondigt de Heer. {1TG47: 14.1}

Jer. 30 : 7 – O wee! Want die dag is zo groot, dat zijns gelijks niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.”

Het volk dat tot deze antitypische tijd van benauwdheid is gekomen keert terug naar hun vaderland en worden getroost. Waarschijnlijk is het erg genoeg om allen angst aan te jagen, maar Gods bemoedigende advies is:  Vrees niet.” {1TG47: 14.2}

Het is duidelijk, dat de last van dit hoofdstuk betreft het antitypische terug keren naar het vaderland. Hoe verschrikkelijk de problemen mogen lijken, toch zal de uitkomst daarvan hetzelfde zijn als in de type. Op dit moment kunnen we deze studie nog niet waarderen zoals we het zouden moeten, maar de tijd is snel nabij waarin we zo snel en hard ernaar zullen graven, net als wanneer we van onder een lawine vandaan willen. Zij die echter maar weinig geloof hebben in het Woord van God, zal de studie niet veel goed doen. Nu is het de tijd om het geloof te beginnen te cultiveren dat we dan nodig zullen hebben. {1TG47: 14.3}

14

Jakob, onze type, wist al te goed dat God zijn terugkeer van Padanaram naar zijn vaderland had geleid, toch beefde hij toen hij hoorde dat Ezau, met vierhonderd man op weg was om hem te ontmoeten. Hij was buiten dien geleid de hele nacht te worstelen met de engel. Hij zegevierde alleen omdat hij de Engel niet wilde laten gaan voordat Hij hem gezegend had. Het uiteindelijke resultaat was dat de volgende dag, Ezau in plaats van het hele gezelschap te vernietigen, Jakob heel vriendelijk met een kus begroette en hem hartelijk uitnodigde om naar huis terug te keren! Toen het dus vanzelf goed kwam, zag Jakob duidelijk dat het totaal niet nodig was om ooit bevreesd te zijn. Hoe bemoedigend dat “al deze dingen hun lieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.” 1 Cor. 10 : 11. Dat wat Jakob overkwam zal ons zeker ook overkomen, en hoe geruststellend om dit ruim voor de tijd te weten. Nu meer dan ooit tevoren zouden we moeten zien dat waar er een type is er ook een antitype is en dat waar er geen type is er geen Waarheid is. {1TG47: 15.1}

Jer. 30 : 8 – Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banen verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.”

Dit vers zegt duidelijk dat God Zijn volk van het heidense juk zal bevrijden en dat vreemden [onbekeerden], hen niet meer zullen lastig vallen. {1TG47: 15.2}

Jer. 30 : 9 – Maar zij zullen dienen den Heere, hun God, en hun koning David, dien Ik hen verwekken zal.”

De volgelingen van de Waarheid zullen anderen niet langer dienen, maar ze zullen de Heer dienen en een koning waar God zelf in zal voorzien. {1TG47: 15.3}

15

Jer. 30 : 10 – Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! Spreekt de Heere, ontzet u niet Israel want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.”

Er is daarom geen reden tot vrees, maar er is een noodzaak tot geloof in de beloften van God. {1TG47: 16.1}

Jer. 30 : 11 – Want Ik ben met u, spreekt de Heere, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.”

De kastijding die Israel toebedeeld is, is hun verstrooiing onder de heidenen zoals in detail weergegeven in de onderstaande verzen. De tijd van vrijheid is desondanks gekomen en daarvoor moeten we blij zijn en God de heerlijkheid geven. {1TG47: 16.2}

Jer. 30 : 12-19 – Want zo zegt de Heere,; Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk. Er is niemand, die uw zaak oordeelt aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters. Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naaru; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn. Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik uw deze dingen gedaan. Daarom, allen die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. Want Ik zal u

16

de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de Heere; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar. Zo zegt de Heere; Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze. En van hen zal dankzegging uitgaan en een stem der spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.”

Na door gevangenschap gegaan te zijn, zal het volk volkomen Gods barmhartigheid beseffen en Zijn wijsheid om hen te redden. Ze zullen voor altijd en eeuwig gelukkig zijn, want Hij zal ze vermeerderen in het land van hun vaderen en daar zal Hij hen groot maken. {1TG47: 17.1}

Jer. 30 : 20 – En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.”

Het Koninkrijk (de gereinigde kerk gescheiden van de wereld) zal even natuurlijk als werkelijk zijn als het koninkrijk van het oude Israel was, maar er zullen geen zondaren er in zijn. {1TG47: 17.2}

Jer. 30 : 21-23– En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde; om tot Mij te genaken? Spreekt de Heere. En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Ziet een onweder des Heeren, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.”

17

Hun heerser zal uit het midden van hen voortkomen; dat wil zeggen, dit Koninkrijk zal onder de theocratie, zelf regerend zijn. Het woord “ziet,” vraagt de aandacht voor iets dat gezien kan worden en geeft daarom aan dat het onweer van de Heer reeds zijn werk doet. Geen wonder dan dat we nu allerlei soorten verstoringen hebben, en zwaar verlies van levens, eigendom over de aarde. {1TG47: 18.1}

Jer. 30 : 24 – De hittigheid van des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.”

Juist het feit dat deze waarheden nu geopenbaard worden, en ook het feit dat dingen voorzegd in de Schriften, nu plaatsvinden, toont duidelijk aan dat we nu in de laatste der dagen leven,– de dagen waarin we de oorzeken van de boze machten beschouwen, die de gehele aarde omgeven, en onze roeping en verkiezing zeker stellen. {1TG47: 18.2}

Hoe dankbaar horen we te zijn dat de Heer ons voedt met “voedsel op zijn tijd”! Hoewel volkeren anderen bij miljoenen vermoorden, om zichzelf te bevrijden van het juk van de andere natie, bevrijdde Mozes het oude Israel zonder een slachtoffer. We moeten nu weten dat geloof bergen kan verzetten, terwijl twijfel natiën vernietigd. We moeten niet langer onverstandigen en tragen van hart zijn, om te geloven hetgeen de profeten gesproken hebben (Lukas 24: 25) “Geloof,” was Jezus zijn motto, en dat moet ook de onze zijn. Zij die twijfelen zullen Zijn Koninkrijk nooit binnengaan. {1TG47: 18.3}

Maar deze zijn geschreven, “opdat gij gelooft….” Joh. 20 : 31. {1TG47: 18.4}

Er is maar één redelijke conclusie waartoe u kunt komen, en dat is om met geheel uw hart aannemen en gehoorzamen aan alles wat de profeten hebben geschreven. Laat niemand uw aandacht afleiden van deze Waarheid. {1TG47: 18.5}

18

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol. 1Nr. 48

                                                                                                               

Plaatje

Gods Getuigschrift Om Te Herleven Zuiveren, En Juda En Israel Samen Voegen.

GEBEDSVOORLEZING

Bouw Op Een Zeker Fundament

Ik zal lezen uit: “Gedachten van de berg der Zaligsprekingen,” bladzijde 133, beginnend met de tweede alinea. Overigens dit is het laatste hoofdstuk van het boek. {1TG48: 19.1}

“Gij die uw hoop op uzelf gesteld hebt, gij bouwt op zand. Maar het is nog niet te laat om te ontkomen aan de ondergang die u wacht. Vlucht, vóór de storm losbreekt, naar de veilige grond. ‘Zo zegt de Heere: Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen van een vaste grondslag; hij die gelooft, haast niet.” “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn heilrijke rechterhand.” “Gij zult noch beschaamd staan noch te schande worden in alle eeuwigheid.” {1TG48: 19.2}

We zullen nu bidden dat we ons losmaken van het eigen ik en volkomen vertrouwen op God; dat we bouwen, niet op een zanderige fundering, maar op de vaste Rots, op een zekere fundering dat niet weggevaagd zal worden wanneer de stormen komen. {1TG48: 19.3}

19

GODS GETUIGSCHRIFT OM TE HERLEVEN ZUIVEREN EN JUDA EN ISRAEL SAMEN VOEGEN

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 5 JULI 1947

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

We zullen deze middag Jeremia 31 bestuderen. Het bevat de garantie van Inspiratie voor Gods volk om naar het vaderland terug te keren. Dit hoofdstuk bevat zoals u zal inzien een profetie voor de laatste dagen: {1TG48: 20.1}

Jer. 31: 1—Ter zelfder tijd, spreekt de Heere, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Het zinsdeel, “ ter zelfder tijd,” brengt onze gedachten terug naar Jeremia 30, vers 24, waar het uitlegt dat de tijd, de laatste dagen is, onze tijd. Vandaar dat niet lang daarvoor onze God, de God van al de families van Israel zal zijn, de god van de gehele kerk. Heilige en zondaar zullen gedurende het oordeel van de levenden niet langer vermengd zijn. {1TG48: 20.2}

Jer. 31: 2—Zo zegt de Heere: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.”

Het volk dat zijn gevangenschap overleefd had zou genade vinden in het land van de heidenen—in “de woestijn,” weg van de wijngaard. (Aangezien het Beloofde land de wijngaard is—Jes. 5—wat zou dan de woestijn dan anders zijn dan de landen van de heidenen?) Gods volk

20

 zal deze genade vinden in de tijd dat de Heer zorgt dat ze kunnen rusten van hun “ verblijf ”– nadat het oordeel van het huis Gods” (1 Petr. 4: 17) plaats vindt. {1TG48: 20.3}

Jer. 31: 3— De Heere is mij verschenen van verre tijden! Ja. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.”

Bij de vervulling van deze profetie, zal het volk beseffen dat de Heer hun werkelijk heeft liefgehad, en dat Hij ze naar Zichzelf trekt met goedertierenheid. {1TG48: 21.1}

Jer. 31: 4— Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! Gij zult weder versiert zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.”

De Heer verzekert Zijn volk dat hoewel de heidense naties hun koninkrijk hebben afgebroken, zal Hij het voor hen herstellen en ze zullen wederom een glorierijke en vreugdevolle natie zijn. Deze beloften tonen aan dat het volk nu niet versiert en blij is. We kunnen het niet ten volle beseffen, maar God weet het beter dan ons. {1TG48: 21.2}

Jer. 31: 5— “ Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.”

De meesten in de wereld denken dat daar de tien stammen, het koninkrijk van Israel onder de heidense naties verloren is gegaan, dat hun koninkrijk voor altijd verdwenen is, toch verklaart God Die doet wat Hem welbehagelijk is duidelijk dat de getrouwen na hun afscheiding van de ontrouwen, vergaderd zullen worden en terug gebracht zullen worden op de bergen van Samaria; en dat ze de vruchten van hun planting als gebruikelijk zullen planten en eten. {1TG48: 21.3}

21

Jer. 31: 6—Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den Heere, onze God!

De toekomstige hoeders van Efraims gebergte, zullen in plaats van zichzelf af te scheiden van hen op de Berg Sion zoals ze in vroegere tijden deden, vol blijdschap de leken terug leiden naar Sion. De vraag waarom is het “dat onze vaderen op deze berg hebben aangebeden, en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden ?” zal niet langer op komen Joh. 4: 20. {1TG48: 22.1}

Jer. 31: 7— Want zo zegt de Heere; Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O Heere! Behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.”

Het “overblijfsel,” zijn zij die “het oordeel van het huis Gods,”overleven. Gods volk van vandaag, wordt terwijl ze onder het hoofd der heidenen zijn, dringend verzocht om de goede tijden in hun midden te verkondigen, met gezang, vreugde en lofprijzing, zeggende: “O Heere behoud uw volk.”

Deze Waarheid is nu de werkelijke tegenwoordige Waarheid en Het moet verkondigt en aandacht gegeven worden. De boodschap van het uur is om te werken en te bidden voor dit doel. {1TG48: 22.2}

Jer. 31: 8—Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.”

We hoeven niet te vrezen, onze inspanningen zullen niet vruchteloos zijn. Gods oprechte volk zal horen en acht slaan op de boodschap van deze dag, en de Heer zal ze aldus vergaderen van de vier hoeken van de aarde. Of ze nou blind of verlamd, of ze nou vrouwen of kinderen zijn, ze zullen

22

allen terugkeren naar de wijngaard des Heren. {1TG48: 22.3}

Jer. 31: 9— Ze zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene.”

Efraim Zelf, zegt Inspiratie, zou een volle menigte van volkeren worden. “Gen. 48: 19, 20. {1TG48: 23.1}

Jer. 31: 10—Hoort des Heeren woord, gij heidenen! En verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.”

God spreekt en wie durft Zijn Woord niet ter harte te nemen? Wie durft onverschillig en stil te zijn? Opdat het volk in staat zal zijn om te zeggen: Hij Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen en hem bewaren,” moeten zij naties zijn die geloven, naties die deze profetieën en hun beloften begrijpen. Ze moeten doen wat wij doen. Maar daar geen natie dit op dit moment doet, en daar wij de enigen zijn die betrokken zijn bij dit werk, wordt de waarheid duidelijk dat onze boodschap de naties moet doen ontwaken voor het feit dat wij, de laatste afstammelingen van de twaalf stammen van Israel uitgeroepen zijn om deze Waarheid niet alleen aan al onze broeders en zusters te verkondigen, maar zelf tot alle naties. Dan zullen de naties Het opnieuw rondbazuinen aan andere naties, verklaart de Schrift. Ze zullen verkondigen dat Gods volk vergaderd zal worden en ook bewaard zal zijn. {1TG48: 23.2}

Wij moeten daarom niet tekort schieten in ons vertrouwen. Wij moeten bewijzen dat wij onze roeping waardig zijn. {1TG48: 23.3}

Jer. 31: 11—Want de Heere heeft Jakob vrijgekocht, en

23

Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.”

Wij zijn niet in staat om ons zelf vrij te kopen, nog minder zijn we in staat om uit ons zelf naar ons land terug te keren. God zal dit alles voor ons tot stand brengen. We moeten daarom dankbaar zijn dat onze vrijheid en verlossing niet van ons zelf afhankelijk is. De verantwoordelijkheid is van God. Hij zal ons verlossen van hem die sterker is dan wij. {1TG48: 24.1}

Jer. 31: 12-14— Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des Heeren goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei; daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de Heere.”

Ik ben zeker dat deze verzen geen uitleg of toelichting nodig hebben. {1TG48: 24.2}

Jer. 31: 15, 16—Zo zegt de Heere: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Zo zegt de Heere; Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen want er is loon voor uw arbeid, spreekt de Heere; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.”

Om deze verzen te begrijpen moeten we eerst kijken in de historische achtergrond daarvan. Rachel, de vrouw

24

van Jakob, had maar twee zonen van zichzelf, Jozef en Benjamin. Zij waren de enige zonen die in het beloofde land aan Jakob geboren waren. Rachel stierf terwijl te geboorte gaf aan Benjamin, dus kon zijzelf niet gehuild hebben over het verloren gaan van haar kinderen. Ze waren beide bij haar toen ze stierf. De enige gevolgtrekking waar men toe kan komen is dat Rachel in dit schrift gedeelte figuurlijk is. {1TG48: 24.3}

Na de dood van Salomon, werd het koninkrijk verdeeld, de tien stamman namen het noorden en de twee stammen het zuiden. De stam van Jozef was in het even koninkrijk en de stam van Benjamin in het andere. Rachel, moet daarom de figuurlijke moeder van de kinderen van beide koninkrijken zijn—Juda en Israel. {1TG48: 25.1}

Het voorval van Jer. 31: 15, paste Mattheus toe op Herodus die de kinderen doodde in een poging om de Heer af te maken (Matt. 2: 18). De bestudering van dit vers tezamen met de gehele inhoud van het hoofdstuk, zal echter onthullen dat het zelf een nog directere toepassing heeft op de verstrooiing van beide koninkrijken, Juda en Israel, en van hun terug keer vanuit het land van hun vijanden naar hun vaderland. {1TG48: 25.2}

Jer. 31: 17,18—En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de Heere; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale. Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere mijn God!”

Twee verschillende gedachten worden hier in dit vers onder de aandacht gebracht: ten eerste dat de kinderen van het Koninkrijk zullen terugkeren naar hun eigen landpale; en ten tweede, dat ze vooraf een grote herleving en hervorming

25

zullen ervaren. Ze zullen beseft hebben, dat Gods kastijding voor hun eigen best wil was en dat de Heer hun God is. Deze hervorming, tezamen met Gods barmhartigheden, is verder te zien in de volgende verzen. {1TG48: 25.3}

Jer. 31: 19-20—Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds ik tegen hem gesproken heb, denk IK nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heere.”

De volgende verzen bevatten Gods bevel en advies aan Zijn volk: {1TG48: 26.1}

Jer. 31: 21—Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!”

 Inspiratie dringt hier beslist aan bij Gods trouwe volk om gereed te zijn voor hun terugkeer naar het Beloofde Land, en vervolgt: {1TG48: 26.2}

Jer. 31: 22—Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de Heere heeft wat nieuws op de aarde geschapen, de vrouw zal den man omvangen.”

Aangezien het in werkelijkheid niet mogelijk is voor een vrouw om een man te omvangen, moet de vrouw waarover hier gesproken wordt daarom een symbool zijn voor de kerk. En de man die ze omvangt, is volgens Inspiratie, de Heer Zelf. De kerk zal daarom gemaakt worden om de Heer te omvangen en zo ingaan in haar nieuwe en gelukkige ervaring. {1TG48: 26.3}

“Juich en verblijd u, gij dochter Sion; want zie, Ik

26

 kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere. En vele heidenen zullen te dien dage den Heere toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de Heere der heirscharen Mij tot u gezonden heeft. Dan zal de Heere Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des Heeren! Want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.” Zach. 2: 10-13. {1TG48: 26.4}

Jer. 31: 23-24—Zo zegt de Heere der heirscharen, de Gods Israels: dit Woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden als Ik hun gevangenis wenden zal: De Heere zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid! En Juda, mistgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.”

Keer op keer worden we verteld dat het Koninkrijk van de Heer, de gereinigde kerk, vrij van onkruid, niet iets mystieks is, maar dat het beslist werkelijk is. {1TG48: 27.1}

Jer. 31: 25, 26—Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.”

Het ontwaken van de profeet moet klaarblijkelijk het volk haar geestelijke ontwaken aantonen. En de zoetheid van zijn slaap moet de liefde van het volk aantonen om door te gaan in hun sluimering en slaap, hun aarzeling te ontwaken voor deze werkelijkheden. {1TG48: 27.2}

Jer. 31: 27—“Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van

27

 beesten.”

Nadat het Koninkrijk is vastgesteld in het land van de belofte, zal het groeien met zowel mensen en beesten, precies zoals de symboliek van Daniels tweede hoofdstuk uitlegt: “ De steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.” Dan. 2: 35. “In de dagen van de koningen, “niet na hun dagen, “zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, ….. en…. Het [het Koninkrijk] zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen….”Dan. 2: 44. {1TG48: 28.1}

Hoe zullen ze zich vermenigvuldigen en de aarde vervullen? –Laat Jesaja de profeet het antwoord geven: {1TG48: 28.2}

“En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat ij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen aal heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn palen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem.” Jes. 2: 2, 3. {1TG48: 28.3}

Jer. 31: 28—En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad te doen; alzo al Ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heere.”

Uit deze gedeelten van de Schrift zien we hoe de Heer het Koninkrijk zal bouwen en doen toenemen, zal zorgen dat Het de aarde vult. {1TG48: 28.4}

Jer. 31: 29, 30—In die dagen zullen zij niet meer zegen;

28

 De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. Meer een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.”

De oude koninkrijken werden verscheurd vanwege de zonden van hen die de naties leiden en regeerden; en zo ondervonden de goede en de slechten gelijk schade. Een van de personen die leed onder de zonden van de slechten was Daniel. En zo was het altijd. Maar nu komen we in de dagen waar iedereen zal sterven om zijn eigen ongerechtigheid. Michael zal opstaan, en “al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek,” zal verlost worden (Dan. 12: 1). {1TG48: 29.1}

Jer. 31: 31- 33—Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere; Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de Heere; Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Dit nieuwe verbond, ziet u, zal in de tijd van de inzameling tot stand komen. Dan zullen alle mensen het verschil weten tussen goed en kwaad. Aldus zullen ze weten wat de Heer Zijn wil en weg is. En aldus zullen in staat zijn het goede te doen en het kwade te meiden. Ze zullen van nature en blijmoedig geneigd zijn het goede te doen, net zoals ze nu geneigd zijn het kwade te doen. {1TG48: 29.2}

Nebukadnesar, koning van Babylon, was een grote koning. Hij regeerde een geweldig koninkrijk en woonde in een

29

 fantastisch paleis. Maar zodra zijn menselijke hart van hem werd weggenomen en het hart van een beest in hem werd gezet, net zo snel  verlieten zijn eigen begeerten en wegen hem en de begeerten en wegen van een beest namen hun plaats in hem. ( Zie Dan. 4: 16). Evenzo met Gods volk: Zodra Hij Zijn wet in hun binnenste zet, en in hun harten schrijft, net zo snel zullen de verlangens van het vleselijke hart en de vijandschap tegen Gods wet verdwijnen. Gods volk zal niet langer meer behoefte hebben om te zeggen, Wanneer we : goed willen doen is het kwade aanwezig.” O Ik ellendig mens! Wie zal mij redden uit dit lichaam des doods?” Rom. 7: 24. {1TG48: 29.3}

Jer. 31: 34—En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den Heere! Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere: want Ik zal hun zonden niet meer gedenken.”

Merk op dat de zondaren en zij die onwetend zijn over God niet langer onder Gods volk zullen zijn. Er is zeker een verandering op komst. De huidige stand van zaken zal niet langer voortgezet worden, de zondaren zullen voor altijd weggedaan worden. En hoe blij moeten we niet zijn, dat als wij berouw tonen onze zonden vergeven en vergeten zullen worden, en dat niemand ons ooit aan ze zal herinneren! {1TG48: 30.1}

Jer. 31: 35- 36—Zo zegt de Heere, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, Heere der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zo zal het zaad Israels ophouden , dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.”

30

Hier is Gods betrouwbare garantie tegen twijfel en ongeloof. Zo zeker als zij die twijfelen de verordeningen van de hemel niet kunnen veranderen, net zo zeker zal Gods volk weer een Theocratische natie worden. {1TG48: 30.2}

Jer. 31: 37- 40—Zo zegt de Heere; Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere. Ziet, de dagen komen, dat deze stad den Heere zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoekpoort. En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden. En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beekt Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den Heere een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.”

>